![]()
|
Huiselijk geweld versus privacybescherming Professionals worstelen met wetgevingEen maatschappelijk werker heeft contact met een vrouw die door haar vriend mishandeld wordt. De politie is een paar keer aan de deur geweest en ze moest met haar verwondingen al twee keer naar de EHBO. De cliënte verschijnt niet op een vervolgafspraak en het lukt het maatschappelijk werk niet om contact met haar te krijgen. Hij maakt zich zorgen en weet dat de huisarts en politie meer informatie hebben. Maar overleg met hen betekent een schending van het vertrouwen van zijn cliënte. Wat nu? Dit voorbeeld staat niet op zichzelf. Ook docenten, artsen of andere hulpverleners kunnen in hun werk tegen een dergelijk vraagstuk aanlopen. Net zozeer als die situaties van elkaar verschillen, lopen de oplossingen uiteen. Een eenduidig antwoord op de vraag ‘mag je zonder toestemming van de cliënt persoonsgegevens uitwisselen?’ is er niet. Maar je kunt beroepsgroepen wel een handvat aanreiken. "Namelijk door helderheid te scheppen over de voorwaarden waaronder gegevens aan derden mogen worden verstrekt. Want daarover bestaat nu veel onzekerheid", aldus Paul Baeten. Hij is verbonden aan het Expertisecentrum Kindermishandeling van het NIZW. Samen met juridisch adviseur Lydia Janssen van het Adviesbureau Van Montfoort, schreef hij ‘Samenwerking en beroepsgeheim’. Deze publicatie, die mogelijk werd gemaakt door een financiële bijdrage van het ministerie van Justitie, is speciaal bedoeld voor beroepskrachten die betrokken zijn bij de aanpak van huiselijk geweld. "Het landelijk project Voorkomen en bestrijden huiselijk geweld richtte zich vooral op het verbeteren van de samenwerking", licht Baeten toe. "Op lokaal niveau ontstaan momenteel allerlei initiatieven waarin partijen met elkaar overleg voeren. Daarom moet juist nu goed worden bekeken hoe je die samenwerking op casuïstiek niveau kunt verbeteren. Bijvoorbeeld hoe je zorgvuldig met de gegevens van cliënten omgaat." De uitwisseling van cliëntgegevens binnen samenwerkingsverbanden is al sinds jaar en dag een heikel punt. Enerzijds kunnen problemen door de koppeling van informatie vaak adequater worden aangepakt. Anderzijds staat het beroepsgeheim hoog in het vaandel. De naleving van dat beroepsgeheim en andere privacyregels is niet vrijblijvend. De Wet Bescherming Persoonsgegevens biedt een specifieke klachtenregeling indien persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt of verstrekt. Daarnaast kennen de verschillende beroepsgroepen en sectoren eigen interne klachtenregelingen. Bovendien kan een cliënt zich ook nog tot de burgerlijke rechter wenden. Soms leidt dat tot een schadevergoeding. Hoewel het slechts in een beperkt aantal gevallen tot een klachtenprocedure komt, is de afschrikkende werking ervan zo groot dat iedere beroepskracht alert blijft op wat wel en niet kan. Collega’s spreken elkaar er ook op aan. Volgens Baeten is men over het algemeen zeer voorzichtig. "Beroepskrachten worden tijdens hun opleiding nadrukkelijk op privacybescherming gewezen. De teneur is om vooral te blijven zwijgen. Dat wordt er zo sterk ingegoten, dat veel mensen besluiten om maar helemaal geen persoonsgegevens uit te wisselen. Dan kun je je ook geen buil vallen. De bovengenoemde terughoudendheid blijkt in een aantal gevallen onterecht. Maar professionals zijn geen juristen die de wet er op na gaan pluizen. Daar hebben ze ook helemaal geen tijd voor." Er zit ook een andere kant aan het verhaal: beroepskrachten die binnen de besloten kring van een samenwerkingsverband onbeperkt gegevens uitwisselen. "Zij zijn van mening dat de wet niets toestaat, terwijl in situaties van huiselijk geweld wel de fundamentele rechten van hun cliënten worden aangetast.. Daardoor voelen zij zich zo klemgezet, dat zij binnen hun eigen netwerk al die regels maar overboord gooien. In dat geval zie je een soort grenzenloosheid ontstaan", aldus de NIZW-medewerker. Hij signaleert dat in beide gevallen mensen vaak niet op de hoogte zijn van de mogelijkheden die de huidige regelgeving biedt. Soms heeft het belang van een cliënt immers voorrang boven het recht op privacy van bijvoorbeeld diens partner of ouders. Baeten besloot tot het samenstellen van een publicatie vanuit de behoefte bij veel beroepskrachten aan concrete en bruikbare informatie over gegevensuitwisseling. Daarin worden de algemeen geldende regels kort en bondig besproken. Er komen alleen situaties aan de orde waarin de cliënt geen toestemming heeft gegeven voor gegevensuitwisseling. In drie tot vier pagina’s kan elke beroepskracht lezen waar hij aan toe is." De regels met betrekking tot de privacy lopen per beroep sterk uiteen. Dat kan binnen een samenwerkingsverband voor wederzijds onbegrip zorgen. Men is vaak nauwelijks op de hoogte van de privacyregels voor de eigen beroepsgroep, laat staan die van een ander. Artsen hebben bijvoorbeeld te maken met aanvullende wetten; de politie heeft een eigen, strikte wetgeving en ook de reclassering is nauw aan een privacyreglement gebonden. Met name bij die laatste beroepsgroep leek informatie-uitwisseling buiten de justitieketen haast onmogelijk. Na lang speuren, hebben we toch wat mogelijkheden kunnen vinden." Ook in Den Haag is de problematiek rondom de privacywetgeving niet onopgemerkt gebleven. Dit voorjaar verscheen er, in opdracht van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, een handreiking over privacyaspecten bij criminaliteitspreventie. Het is bedoeld als hulpmiddel voor gemeenten en lokale partners. Voor hen is het een leidraad om een systeem van zorgvuldige gegevensverwerking creëren. De vraag is alleen of de huidige wet- en regelgeving wel toereikend is om de belangen van cliënten goed te kunnen dienen. Hierover zijn de meningen verdeeld. Is men gewoon onvoldoende op de hoogte van de regels en ligt de oplossing in betere voorlichting? Of schiet de huidige regelgeving daadwerkelijk tekort? Een debat dat binnenkort door het NIZW wordt georganiseerd, moet daar licht op werpen. Een aantal juridische deskundigen zal de discussie aangaan met mensen uit de praktijk. Vanuit diverse invalshoeken zullen de knelpunten worden besproken. De uitkomst van het debat is volgens Paul Baeten nog helemaal open. "Wat ik vooral een belangrijk knelpunt vind, is dat er zo ontzettend veel verschillende wetten en regels zijn rond dit onderwerp. Het is daardoor überhaupt moeilijk om duidelijkheid te creëren." Desondanks verschaft de publicatie ‘Samenwerking en beroepsgeheim’ een helder beeld over de privacyaspecten binnen een netwerk huiselijk geweld. "Eigenlijk zou ieder samenwerkingsverband met vaste privacyrichtlijnen moeten werken", vindt Baeten. Hij hoopt dat zijn boek daar een bijdrage aan kan leveren. "Samenwerking wordt nu vaak informeel opgepakt. Er is weinig zicht en controle op de naleving van de privacyregels. Het zou goed zijn als directies voortaan duidelijke afspraken met elkaar maken over de omgang met cliëntgegevens. Ik heb het niet alleen over uitwisseling van informatie, maar ook over verslaglegging, dossiervorming en de wijze waarop de cliënt hierover geïnformeerd wordt. Zulke afspraken zijn nu vaak niet afgebakend, terwijl zij toch de basis van een samenwerking vormen. Bovendien kun je je op deze manier later duidelijk verantwoorden, als dat nodig mocht zijn." Laatst gewijzigd: 14-10-2002 |